Bahá'í Library Online
. . . .
.
>>   Research notes
TAGS: Bible; Christianity; Corruption of texts; Interfaith dialogue; Interpretation; Islam; Judaism; Kitab-i-Íqan (Book of Certitude); Prophecies; Quran; Torah
> add tags
Abstract:
Uitleg over een van de hoofdthema's in Bahá'u'lláh's Boek van Zekerheid.
Notes:
Language: Dutch.

Aantekeningen: Kitáb-i-Íqán (Boek van Zekerheid)

by Michael Sours

translated by Arjen Bolhuis
2023
Vraag: In paragraaf 14: "Vol te houden dat het getuigenis van de Voorzienigheid onvolledig was, en dat dit daarom de oorzaak van de verloochening der mensen is geweest, is slechts openlijke godslastering." Bahá'u'lláh's uitleg is heel duidelijk, maar waar komt deze beschuldiging vandaan?

Antwoord: Dit argument komt vroeg in de Kitáb-i-Íqán voor, in paragraaf 14, en wordt herhaald en afgesloten in paragraaf 98.

Ik zal proberen de context uit te leggen. De Íqán begint met te benadrukken dat de zoeker onthecht moet zijn van de opvattingen en bezwaren van anderen. Bahá'u'lláh geeft vervolgens een schets van de geschiedenis om aan te tonen dat religieuze leiders de geschriften vaak verkeerd begrepen en bezwaren tegen de Manifestaties naar voren brachten. Dit is de belangrijkste focus van deel 1 van de Íqán. Hij stelt dat elke religie de volgende profeteerde en dat de volgende religie deze profetieën vervult. Om dit aan te tonen, concentreert Hij zich vooral op de manier waarop Jezus Mohammed profeteerde. Dit is een controversieel argument voor zowel christenen als moslims en er zijn interessante vroege documenten die dit geschil tussen de twee gemeenschappen beschrijven. Christenen beweerden dat de Bijbel nooit naar Mohammed verwijst, en de moslims hebben doorgaans beantwoord door te beweren dat de joden en christenen de Bijbel gecorrumpeerd hadden door de verwijzingen te verwijderen of door de ware geschriften kwijt te raken en iets anders te verzinnen. Dat wil zeggen, zij beweerden dat het getuigenis van de Voorzienigheid (de Bijbel) op zijn best onvolledig is. Bahá'u'lláh pakt dit misverstand op een opvallende manier aan, omdat Hij niet alleen de Bijbel verdedigt, maar ook andere geschriften uit het verleden (paragraaf 91), en Hij zowel belangrijke profetische verwijzingen in de Bijbel als verwijzingen naar de Bijbel in de Koran opnieuw interpreteert. Bahá'u'lláh laat zeer effectief zien dat het Evangelie inderdaad de Dag van Mohammed profeteert, dat het Evangelie niet gecorrumpeerd is, en dat de Koran de Thora en het Evangelie bevestigt. De argumenten van Bahá'u'lláh vormen de symbolische interpretatieve basis voor het begrip dat de Báb eveneens de profetieën van de Koran heeft vervuld – een argument dat later in deel 2 van de Íqán wordt uitgewerkt (vooral met betrekking tot de verwachting in de Koran van het bereiken van de goddelijke Tegenwoordigheid op de Dag des oordeels en de opstanding).

Met andere woorden: de passage “vol te houden dat het getuigenis van de Voorzienigheid onvolledig was ...” is een van de belangrijkste argumenten van moslims die Bahá'u'lláh in deel 1 probeert te weerleggen, en aan het einde van deel 1 is de weerlegging compleet. Deze opvatting dat geschriften uit het verleden onvolledig zijn en dat de mensen daarom de waarheid van de volgende Manifestaties niet konden zien, is een opvatting die vele vormen aanneemt. Men zou kunnen betogen dat de geschriften verloren zijn gegaan, opzettelijk zijn verminkt, te moeilijk te begrijpen, verkeerd zijn vertaald, enzovoort. Maar Bahá'u'lláh wijst op de eenvoudige theologische werkelijkheid dat als God Boodschappers stuurt om mensen te leiden, waarom zou God die leiding dan laten vernietigen of openbaren in een vorm die niet bruikbaar is? De verantwoordelijkheid van de religieuze leiders was om de mensen te helpen de heilige boeken te begrijpen, maar zij verhinderden dat door de boeken verkeerd te interpreteren en zich tegen de Manifestaties te verzetten. Als de Boodschapper een teken of manifestatie is van Gods macht en liefde, is het beweren dat de leiding verloren of gecorrumpeerd was hetzelfde als het ontkennen van Gods macht en liefde. Bahá'u'lláh schrijft:

"Wij hebben ook een aantal van de dwazen der aarde horen beweren, dat de echte tekst van het hemelse Evangelie niet onder de Christenen bestaat, maar ten hemel is gevaren. Hoe smartelijk hebben zij gedwaald! Hoe zeer vergeten zij het feit, dat zo’n verklaring de ernstigste onrechtvaardigheid ... ten laste legt aan een genadige en liefdevolle Voorzienigheid! Hoe zou God, toen eenmaal de Dagster van de schoonheid van Jezus uit het gezicht van Zijn volk was verdwenen en was opgevaren ten vierde hemel, Zijn heilige Boek, Zijn grootste getuigenis onder Zijn schepselen, ook kunnen laten verdwijnen? Wat zou er overblijven voor dat volk om zich aan vast te klampen vanaf het ondergaan van de zon van Jezus tot aan het opkomen van de zon van de mohammedaanse Beschikking? Welke wet zou hun steun en gids kunnen zijn...? Bovenal, hoe zou de stroom van genade van de Almilddadige kunnen worden gestuit? Hoe zou de oceaan van Zijn tedere barmhartigheid tot bedaren kunnen worden gebracht? Wij zoeken Onze toevlucht bij God voor wat Zijn schepselen zich omtrent Hem hebben ingebeeld. Verheven is Hij boven hun begrip!" Boek van Zekerheid (vertaling 1976), paragraaf 98
Dus hoewel deze opvatting dat het getuigenis van God onvolledig is een opvatting is die sommige moslims koesteren, is deze niet uniek voor hen, noch neemt deze slechts één vorm aan. Iedereen zou in dit soort verkeerde opvattingen kunnen vervallen.

Het bahá'í-geloof beweert dat boeddhistische boeken, hindoeïstische boeken, enzovoort, allemaal richtlijnen bevatten die naar vandaag, de komst van Bahá'u'lláh, verwijzen. Dit ontkennen is een ondienst aan zowel de waarheid van Gods liefde als aan de waarheid van andere heilige boeken.

Back to:   Research notes
Home Site Map Forum Links Copyright About Contact
.
. .